Aanpak arbeidsuitbuiting versterkt

Hoe zorg je ervoor dat de bruikbaarheid van meldingen over arbeidsuitbuiting zo groot mogelijk wordt? En hoe kies je vervolgens de beste aanpak voor het onderzoeken van die melding? Twee belangrijke vragen waar in 2019 hard aan is gewerkt door het programma Arbeidsuitbuiting en de directie Opsporing.

In gesprek met samenwerkingspartners

Arjan Zebel is bij het programma Arbeidsuitbuiting coördinator van het beoordelingsproces voor meldingen. Hij legt uit hoe het eerste vraagstuk van betere meldingen is aangepakt. “Vier inspecteurs zijn het land ingegaan om aan onze samenwerkingspartners uit te leggen welke meldingen voor ons bruikbaar en waardevol zijn. De kwaliteit daarvan varieerde namelijk sterk. In totaal zijn er zo’n 50 bijeenkomsten gehouden met heel wisselende doelgroepen. Van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) tot gemeenten en van Regionaal Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) tot aan hogescholen. In totaal hebben er bijna 1500 mensen aan onze bijeenkomsten deelgenomen. En dat heeft zichtbaar tot een betere meldingenstroom vanuit deze partners gezorgd. Zowel in aantallen als in bruikbaarheid. Men is zich nu beter bewust van wat we onder uitbuiting verstaan en waar we als Inspectie onderzoek naar kunnen doen.”

Krachten gebundeld

Om de bij de Inspectie beschikbare menskracht ook zo goed mogelijk per melding in te zetten, vindt sinds vorig jaar regelmatig overleg plaats tussen het programma Arbeidsuitbuiting en de directie Opsporing. Arie Kamphuis geeft bij Opsporing leiding aan een speciaal geformeerd team. “We zijn in januari 2019 van start gegaan, om de aanpak van mensenhandel beter te structureren. Verder zijn we met het programma Arbeidsuitbuiting de krachten gaan bundelen in wat we het Informatieplein noemen. Hier delen we iedere twee weken alle meldingen die bij hen en bij ons zijn binnengekomen en bepalen we samen wat de beste aanpak per melding is.”

Selectie en keuzes

Arjan Zebel legt de werkwijze uit: “Eerst wordt beoordeeld of een melding betrekking heeft op het werkterrein van de Inspectie, of dat deze wordt doorgezet naar een andere organisatie. Vervolgens kijken we naar signalen van uitbuiting. En of er meldingen in het verleden zijn geweest over werkgever of bedrijf die optellen tot een completer verhaal.”

Samen met Opsporing wordt vervolgens de aanpak bepaald. Deze kan direct gezamenlijk zijn of bewust apart. Zo wordt vaak gekozen voor een inspectie vanuit het programma Arbeidsuitbuiting, als de signalen nog wat te dun zijn om direct Opsporing in te zetten. “We voeren zo’n inspectie trouwens altijd waar dat mogelijk is samen met andere instanties uit, zoals politie of gemeente, om zo tot een integrale aanpak van het probleem te komen. En als er dan sterke vermoedens zijn dat er bij een melding meer aan de hand is, dan zijn ook de collega’s van Opsporing beschikbaar. Ze zijn snel oproepbaar of staan al om de hoek gereed om op te treden.

Het afgelopen jaar zijn ze tijdens inspecties waarbij vermoedens waren van slachtoffers van mensenhandel zo acht keer door ons opgeroepen. Een goed voorbeeld van deze aanpak is een Chinese kok die we via een anonieme tip op het spoor kwamen en die zwaar werd uitgebuit. Die zaak heeft vervolgens geleid tot een opsporingsonderzoek.” (Pagina 77).

Groeimodel

Het gezamenlijk beoordelen van de meldingen wordt binnen de Inspectie ervaren als een succes. “Per jaar gaat het in het al om tientallen gevallen waarin we in Informatieplein verband samen optrekken”, vertelt Arie Kamphuis. “En het kan nog beter. Deze manier van samenwerken zie ik als een groeimodel dat we de komende twee of drie jaar verder moeten perfectioneren.” Een ander mooi voorbeeld daarvan zijn volgens Arie de gezamenlijke studiedagen die Opsporing samen met het programma Arbeidsuitbuiting heeft georganiseerd. “Daarbij nemen we elkaar mee in de finesses van het werk over en weer. Bijvoorbeeld door aan de hand van concrete rechtszaken te bespreken welke bewijzen van uitbuiting standhouden bij een rechter en welke niet.” Het zijn initiatieven waar hij enthousiast van wordt. “Over een paar jaar is deze aanpak voor iedereen vanzelfsprekend en stevig verankerd in ons werkproces.”