Kwaliteitseisen aan de onderbouwing van veilige werkwijzen

Een samenvatting van de kwaliteitseisen die Inspectie SZW aan de onderbouwing van veilige werkwijzen stelt, vindt u op deze pagina. Een nadere uitwerking en meer uitleg is te vinden in de publicatie 'Veilige werkwijzen voor stoffen - waaraan moeten ze voldoen?' van het Tijdschrift voor Toegepaste Arbowetenschap.

Onderbouwing door middel van metingen

Deze optie houdt in, dat men metingen uitvoert van de blootstelling van de medewerkers tijdens het werken volgens de (voorgestelde) veilige werkwijze. Uitgangspunt hierbij is, dat een meetopzet en toetsing aan de grenswaarde wordt gekozen die aansluit bij de stand van de wetenschap. Concreet houdt dit in: de NEN-689- versie 2018, of de zgn. BOHS-NVvA-methode uit 2011.
De metingen moeten uiteraard voldoende representatief zijn voor de werkwijze die uiteindelijk vastgelegd gaat worden. Het is daarom nodig om vooraf een gedetailleerd werkplan op te stellen met een meetstrategie die is gebaseerd op een ‘reasonable worst-case’ situatie.
Normaal gesproken zijn minimaal 9 persoonlijke blootstellingsmetingen nodig voor de validatie van een veilige werkwijze; gespreid over diverse locaties, diverse medewerkers en diverse dagen.

Onderbouwing met behulp van een kwantitatief model

Er zijn verschillende blootstellingsmodellen beschikbaar die goed onderbouwd zijn. De meest bekende en meest gebruikte zijn: Stoffenmanager, ART, en ECETOC-TRA. Voor laswerkzaamheden zijn specifieke modellen beschikbaar: de Lasrookassistent en de Verbetercheck Lasrook. De Verbetercheck Lasrook is momenteel echter nog niet geschikt voor de beoordeling van de blootstelling aan chroom-6. Gebruikt u de Lasrookassistent, dan moet u zelf nog – handmatig – de blootstelling aan chroom-6 berekenen, met behulp van de concentratie lasrook in de lucht, en het gehalte chroom-6 in deze rook.
Algemene aandachtspunten bij het gebruik van modellen, zijn:

  • Controleer het geldigheidsdomein van het model (de algemene modellen Stoffenmanager, ART en ECETOC-TRA zijn bijvoorbeeld niet geschikt voor laswerk);
  • Controleer of het model ‘past’ op de situatie waarvoor de veilige werkwijze wordt ontwikkeld (als bijvoorbeeld bronafzuiging wordt toegepast, gaat een blootstellingsmodel ervan uit dat deze optimaal is ontworpen, volgens stand der techniek);
  • De genoemde blootstellingsmodellen zijn in het algemeen niet geschikt voor gebruik door een ‘leek’. Betrek daarom een arbeidshygiënist.

Vastleggen en beschrijven van de veilige werkwijze

Het moet ondubbelzinnig duidelijk zijn voor welke handelingen en onder welke omstandigheden de veilige werkwijze ‘geldig’ is. Zo niet, dan moet de werkgever alsnog zelf de blootstelling beoordelen en passende maatregelen selecteren. Beschrijf daarom minimaal:

  • Werkplekinformatie (productieproces, werkruimte, binnen/buiten)
  • Taak/ activiteit/ handeling die binnen de veilige werkwijze valt; wijze van uitvoering
  • Productinformatie: welk materiaal wordt bewerkt? (b.v. een coating met xx % chroom-6)
  • Blootstellingsdeterminanten
    Route (inademing en huid), gebruikte technieken en gereedschappen, afstand tot de bron, duur van de blootstelling, patroon (continu of pieken), etc.
  • Aanwezige beheersmaatregelen, incl. gedetailleerde specificaties, dus bijvoorbeeld:
    Wel: bronafzuiging van type X, met omvang Y, op afstand Z, capaciteit ... etc.
    Niet: “Pas bronafzuiging toe“
Schema blootstellingsmetingen2