Wat is de eis voor een sanering in een lagere klasse?

Een sanering mag alleen in een lagere risicoklasse (dus klasse 1 in plaats van klasse 2 of 2A) worden uitgevoerd als goed is onderbouwd dat de blootstelling aan asbestvezels tijdens de sanering onder de grenswaarde blijft.

Dit betekent dat er goede blootstellingsonderzoeken moeten worden uitgevoerd die aantonen dat de blootstelling onder de grenswaarde blijft. Deze onderzoeken moeten voldoen aan kwaliteitscriteria die zijn beschreven in NEN 689 (Nederlandse norm, versie 2018) en richtlijn SCi-548 van Stichting Certificatie Asbest (Ascert) i.s.m. TNO en I-SZW. Het is belangrijk dat de asbesttoepassing (bron), de werkzaamheden en omstandigheden identiek zijn aan die in het blootstellingsonderzoek. De onderzoeksresultaten (of beter nog; de validatiestudie) moeten aanwezig zijn op de locatie waar de sanering wordt uitgevoerd.

Het is de taak van de asbestinventariseerder om, op basis van SMArt of op basis van een blootstellingsonderzoek (ook wel validatie-onderzoek) te bepalen in welke risicoklasse mag worden gesaneerd. Dit betekent dat de asbestinventariseerder ervoor moet zorgen dat een geschikt en betrouwbaar blootstellingsonderzoek ten grondslag ligt aan een eventuele verlaging van de risicoklasse. Hier ligt dus een grote verantwoordelijkheid voor de asbestinventariseerder. Ook de opdrachtgever heeft hierin een verantwoordelijkheid, omdat deze veelal de voorwaarden schept voor het werk en het inventarisatierapport ter beschikking stelt aan degene die het asbest verwijdert.

Het komt voor dat bedrijven een beschreven werkmethode of protocol gebruiken om in een lagere risicoklasse te saneren. Dit mag alleen, mits de specifieke onderbouwende onderzoeksresultaten van het blootstellingsonderzoek op locatie aanwezig zijn, zodat ter plaatse kan worden gecontroleerd of er terecht in een lagere klasse wordt gewerkt. Ook hier geldt: de asbesttoepassing, werkzaamheden en omstandigheden uit het onderzoek moeten gelijk zijn aan die van de sanering.